Noten bij generatie XII
(bij paragraaf XII.27)
| H |
Om een eind te maken aan de beroerde woonomstandigheden van de arbeidersklasse aan het eind van de
negentiende eeuw dienden de ministers Goeman Borgesius (Binnenlandse Zaken),
Pierson (Financiën) en Cort van der Linden (Justitie) op 11 september 1899 een
ontwerp-Woningwet in, die al in de troonredes van 1897 en 1998 was aangekondigd.
Op 19 april 1901 nam de Tweede Kamer de wet met een zeer ruime meerderheid (72
tegen 4 stemmen) aan. De Eerste Kamer volgde, met een geringere meerderheid (25
tegen 19 stemmen). De wet stond op 22 juni 1901 in het Staatsblad.
Het duurde daarna nog ruim een jaar, tot 1 augustus 1902, voordat de wet in werking trad.
Deze wet opende de mogelijkheid van overheidssubsidie voor niet-commerciële
woninginstellingen die (voor die tijd) goede, betaalbare woningen bouwden voor de
sociaal zwakkeren.
![]() |
De bovenkant van de voorpagina van De
Gemeente-Werkman van zaterdag
26 april 1902. |
Voor Hendrik Glimmerveen, net dertig jaar oud en conducteur op de Amsterdamse paardentram, was deze wet aanleiding voor een ingezonden stuk in het blad De Gemeente Werkman, orgaan van de Centrale Gemeente-Werkliedenbond in Amsterdam. Het stuk verscheen in het nummer van 26 april 1902 onder de kop Werk aan den winkel.
Volgens het gedenkboek dat Rochdale in 1953 bij het vijftigjarige bestaan uitgaf, is het initiatief begin april 1902 geboren tijdens een ernstig gesprek van twee mensen die samen op de paardentram reden: koetsier Pieter Roeland en conducteur Hendrik Glimmerveen. "Zouden zij niet... Zou die nieuwe wet niet de mogelijkheid bieden om zélf woningen te gaan bouwen, net zo goed als de speculatiebouwers het deden? Door die vraag te stellen en er zelf het antwoord op te geven, toonden zij te behoren tot de wakkerste vertegenwoordigers van hun generatie", aldus letterlijk het gedenkboek van 1953.
Hendrik Glimmerveen wees in zijn artikel op de nieuwe Woningwet en stelde dat
de arbeidersorganisaties nu maar eens zelf het initiatief moeten nemen tot
stichting van een woningcorporatie.
Hendrik Glimmerveen schreef onder andere: "Op wetenschappelijke gronden
schijnt het nu wel uitgemaakt te zijn, dat longtering vooral gekweekt wordt door
slechte behuizing" en verder: "Voor zoover het de groote steden
betreft is het aan slechte behuizing zoo goed als onafscheidelijk verbonden,
gebrek aan versche lucht en dikwijls ook aan zonlicht. Hoe menige vrouw werd
niet in haar gezondheid geknakt door dat drie of vier hoog trappenklimmen. Hoe
menig bleek gezichtje van jeugdige lijders aan bloedarmoede, zou een frissche
gezonde kleur vertoonen, wanneer de arme kleinen in plaats van in een vochtigen
kelder of drie hoog achter, verstoken van licht en lucht te kwijnen, eens in een
behoorlijke woning hun eisch konden krijgen".
Hendrik Glimmerveen constateerde dat het gemeentebestuur voor gemeentearbeiders
tegelijk overheid en patroon is. De overheid moet woningen die niet aan de eisen
voldoen, ontruimen. Maar als werkgever betaalt het gemeentebestuur de arbeiders
zulke lage lonen dat zij zich alleen maar die armetierige woonruimten kunnen
permitteren, stelde Glimmerveen.
Hij kwam vervolgens tot de opmerking: "Wellicht zal het op het eerste gehoor
vreemd klinken, maar we willen toch vragen: Is het niet mogelijk dat onze Bond
zelf als Bouwonderneming optreedt?" en verderop, nadat hij een reeks
argumenten had gegeven: "Laat men nu niet direct beginnen met onze
gedachte te verwerpen".
Op 21 juni 1902 plaatste het blad een volgend stukje. Daaruit bleek dat op het eerste artikel geen enkele reactie van arbeiders was gekomen; maar wel had de directeur van de Gemeentetram, de heer J.H. Neiszen, gereageerd. Als het de arbeiders ernst is, kunnen zij op hem rekenen, schreef Neiszen. Dat gaf kennelijk moed: er kwam een stroom positieve (maar ook negatieve) reacties.
Na een jaar werd het onderwerp concreet: Op 12 mei 1903 werd in het (niet meer bestaande) gebouw d'Geelvinck, Singel 530 (hoek Geelvincksteeg) de Coöperatieve Bouwvereniging Rochdale opgericht. Er kwam een voorlopig bestuur: conducteur Hendrik Glimmerveen werd voorzitter; koetsier (van de paardentram) Pieter Roeland secretaris en stadsschuitenmaker Ch.E. Molin penningmeester.
![]() |
Voorpagina van het jubileumboek Rochdale 50 jaar dat op 12 mei 1953 werd uitgegeven ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de coöperatieve bouwvereniging 'Rochdale' u.a. te Amsterdam. |
Hendrik Glimmerveen is degene geweest die de naam Rochdale heeft voorgesteld. Rochdale was een plaats in Engeland die beschouwd wordt als de bakermat van de coöperatie. Al in 1844 richtten 28 wevers daar een verbruikerscoöperatie op: the Society of Equitable Pioneers of Rochdale. In 1867 richtte deze coöperatie een bouwvereniging op. Dit was een lichtend voorbeeld voor Hendrik Glimmerveen.
De eerste jaren gebeurde er niet veel. Dat lag niet (of niet alleen) aan Rochdale. De overheid moest zich nog instellen op de eisen van de nieuwe wet. Er moesten voorwaarden komen waaraan woningcorporaties moesten voldoen; er moesten fondsen vrijgemaakt worden, stedenbouwkundige plannen ontwikkeld.
Toen Rochdale in 1909 de eerste woningen ging bouwen, was Hendrik Glimmerveen geen
voorzitter meer. Dit zou mede verband houden met zijn godsdienstige en politieke
overtuiging. Hendrik Glimmerveen was een vurig aanhanger van de antirevolutionaire, gereformeerde voorman Abraham
Kuyper. Zeker na de
(mislukte) spoorwegstaking van 1903 was deze niet erg geliefd onder de
Amsterdamse arbeiders. Dit zou tot botsingen in het bestuur van Rochdale geleid kunnen
hebben; maar notulen van bestuursvergaderingen waaruit dit zou kunnen blijken,
zijn in de archieven niet aangetroffen. Wel meldde het gedenkboek van Rochdale
uit 1953 dat er na de spoorwegstaking ruzie ontstond binnen de Centrale
Gemeentewerkliedenbond, met als gevolg dat het weekblad van die bond werd
opgeheven.
Het vertrek van Hendrik Glimmerveen als voorzitter kan ook een simpeler reden
hebben gehad. Volgens het gedenkboek uit 1953 waren er regelmatig
bestuursactiviteiten op zondagmorgen. Als tramconducteur moest Hendrik
Glimmerveen uiteraard regelmatig op zon- en feestdagen werken. Maar misschien
had hij er, als overtuigde gereformeerde, moeite mee als vrijwilliger op
zondagmorgen te werken.
Hendrik Glimmerveen is wel lid van de coöperatie gebleven. In het kasboek staat dat hij op 12 mei 1903 als eerste ƒ 2,50 stortte (P. Roeland betaalde als tweede hetzelfde bedrag). In 1913 had Hendrik Glimmerveen zijn aandeel van ƒ 25,00 volgestort. Hendrik Glimmerveen ging omstreeks die tijd wonen in de Borgerstraat, in een blok huizen dat daar door Rochdale was neergezet.
Bij het vijftigjarige bestaan van Rochdale publiceerde Het Parool op vrijdag 8 mei 1953 een artikel over de woningbouwvereniging, waarin aan het slot de suggestie is opgenomen in de nieuwe tuinsteden van Amsterdam straten te vernoemen naar Pieter Roeland en Hendrik Glimmerveen. Het artikel staat hier.
Naspeuringen naar de rol van Hendrik Glimmerveen bij de oprichting van de Amsterdamse woningbouwvereniging Rochdale zijn in 2001 gedaan door Johan van Tuyl, kleinzoon van Hendrik Glimmerveen. Johan van Tuyl is vermeld in paragraaf XIV.58.
(bij paragraaf XII.27)
| A |
De notulen van de kerkenraadsvergaderingen zijn opgeslagen in de kelders van het Historisch
Documentatie Centrum voor het Nederlands Protestantisme van 1800 tot heden, bij de Vrije Universiteit
in Amsterdam.
Uit de stukken blijkt dat Hendrik Glimmerveen van 1927 tot eind 1930 ouderling
is geweest en vervolgens, tot ten minste 1938, lid van de Evangelisatiecommissie
van de kerk.
![]() |
De brief van 1 december 1927 (verkleind) waarin de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Zuid aan H. Glimmerveen in de Borgerstraat meedeelde dat hij op die donderdag de 1e december benoemd was tot 'Ouderling der Gemeente onzes Heeren Jezus Christus te dezer plaatse'. "De kerkeraad vertrouwt, dat gij deze benoeming in de kracht des Heeren zult aanvaarden, waarvan hij gaarne voor Donderdag 8 December 1927 bericht van U tegemoet ziet". De brief eindigt "Met heilbede en broedergroet". |
Toen Hendrik Glimmerveen ouderling werd, beschikte de Gereformeerde Kerk van
Amsterdam-Zuid over slechts één kerkgebouw, de Schinkelkerk aan de
Amstelveenseweg, gebouwd in 1896. In dit kerkgebouw lag de kiem van het conflict
dat in de jaren '20 van de twintigste eeuw de gereformeerden van Nederland
verscheurde en dat bekend is geworden als 'de kwestie-Geelkerken'. Op zondag 23
maart 1924 hield ds. Geelkerken in die Schinkelkerk een preek waarin - tamelijk
zijdelings - de vraag aan de orde kwam of de eerste hoofdstukken van het eerste
bijbelboek Genesis helemaal letterlijk genomen moesten worden. Populair werd dat
later omschreven als de vraag of de slang die in het paradijs Eva verleid zou
hebben de vruchten van een boom te eten - wat God eerder aan Adam en Eva
verboden zou hebben - echt hoorbaar gepraat heeft.
De kwestie liep hoog op: in 1926 zette de gereformeerde synode van Assen ds.
Geelkerken af als predikant.
Hendrik Glimmerveen moet nauw betrokken zijn geweest. Hij zelf en het grootste
deel van zijn gezin zijn lid gebleven van de Gereformeerde Kerk; maar zijn zoon
Geerd Glimmerveen (1901 - 1977), die godsdienstonderwijs (catechisatie) bij ds.
Geelkerken had gevolgd, is met deze predikant meegegaan in de Gereformeerde
Kerken in Hersteld Verband (een klein kerkgenootschap dat in 1946 is opgegaan in
de Nederlandse Hervormde Kerk).
Hendrik Glimmerveen werd op 1 december 1927 benoemd tot ouderling. Daaraan ging een omvangrijke procedure vooraf. Er werd een groslijst opgesteld waarop veel meer namen stonden dan er vacatures in de kerkenraad waren. Eerst werd in kleine kring gestemd, vervolgens zijn er meer stemmers (zo'n 126). Uit de notulen wordt niet duidelijk wie de stemgerechtigden waren. Belijdende kerkleden waren er veel meer dan 126; kerkenraadsleden veel minder.
Welke activiteiten Hendrik Glimmerveen als ouderling heeft ontplooid, wordt
uit de notulen niet erg duidelijk. Wel blijkt dat Glimmerveen op 5 januari 1928
werd aangewezen als lid van de 'Jongelingenvereniging Spreuken 1:7a'. Het was
gebruikelijk dat de 'jongelingenvereniging' (een bij de kerk behorende jeugdclub
waarin heel serieuze onderwerpen werden besproken) begeleiding kreeg vanuit de
kerkenraad. Die taak kreeg Hendrik Glimmerveen blijkbaar op zijn schouders.
Ook deed ouderling huisbezoeken - dat wil zeggen: hij bracht bezoeken aan
kerkleden. Daarover rapporteerde hij soms in de kerkenraad.
![]() |
|
In de jaren waarin Hendrik Glimmerveen ouderling was in de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Zuid nam die kerk een nieuw kerkgebouw in gebruik: de Raphaëlpleinkerk. Deze foto is genomen bij de eerstesteenlegging. Zeer waarschijnlijk was Hendrik Glimmerveen onder de aanwezigen. |
Hendrik Glimmerveen heeft als kerkenraadslid de nasleep van de kwestie-Geelkerken meegemaakt; het besluit tot de bouw van de Raphaëlpleinkerk, de Olympische Spelen van 1928 (het olympische stadion lag in het rayon van de kerk van Amsterdam-Zuid). Maar de notulen geven niet concreet aan wat de kerkenraadsleden ieder voor zich hebben bijgedragen aan de activiteiten.
Naspeuringen naar de rol van Hendrik Glimmerveen als ouderling bij de Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Zuid zijn in 2001 gedaan door Johan van Tuyl, kleinzoon van Hendrik Glimmerveen. Johan van Tuyl is vermeld in paragraaf XIV.58.