Terug naar paragraaf XIII.42

Catharina Roodzant-Glimmerveen 1896 - 1999

Het geluk lag op 64 velden

Het Parool publiceerde op 05.03.1999 onder bovenstaande kop het volgende artikeltje, ondertekend door Paul Arnoldussen (de foto uit 1996 van Paul Bergen stond bij de tekst):

SCHAAK TOCH eens voor je genoegen, hoorde Catharina Roodzant-Glimmerveen nogal eens. Maar daar kon ze niet aan beginnen. "Dat zit niet in me. Schaken is fantastisch, als je de weg naar winst hebt gevonden." Dat bleef haar standpunt tot aan haar dood, op 24 februari (1999). De Nederlandse schaakkampioene van 1935, 1936 en 1938 wist niet van ophouden.

Catharina Glimmerveen kwam uit een Rotterdams arbeidersmilieu. Het was geen oppervlakkig gezin: Catharina kwam in contact met het werk van Herniette Roland Holst, die lang een voorbeeld voor haar is gebleven. Maar een schoolopleiding zat er niet in en schaken was destijds uitsluitend voor de elite. Ze leerde het spel dan ook pas toen ze al een eind in de twintig was.

"Mijn man schaakte", zei ze tegen Het Parool. "Op een ochtend ging hij naar kantoor en toen zei hij: "Nou, ik heb eindelijk dat probleem opgelost, hoor. Dame c2." Ik loop te stofzuigen in de kamer en denk bij mezelf: Dame c2, dat kan niet joh. Dan doet de tegenstander dat en dat en dan heb je een strop. (...) Hij was zo verguld dat ik kon schaken. Hij is me les gaan geven."

Binnen een paar weken was ze de beste van de 58 leden tellende Rotterdamse club De Pion, allemaal mannen natuurlijk. Er was er maar één die zeurde: meneer Van der Lugt. "Die komt om geschaakt te worden en niet om te schaken", had hij gezegd, en dat niet terwijl Catharina niet alleen keurig getrouwd was, maar bovendien van mening was dat mannen net koekjes waren. Had ze er zin in, dat at ze er eentje, maar ze kon er even gemakkelijk van afblijven. Meneer Van der Lugt werd van het bord geveegd en vertoonde zich nimmer meer bij De Pion.

Met het oog op de wereldkampioenschappen voor vrouwen in Oostenrijk organiseerde de schaakbond in 1935 het eerste nationale dameskampioenschap. Catharina Roodzant won het toernooi van vijf deelnemers. In Oostenrijk werd ze vierde.

In 1936 en in 1938 werd ze weer Nederlands kampioene, maar in 1937 was dat de toen zeventienjarige Fenny Heemskerk, die haar later de baas bleef. Ze kon er zeven jaar geleden nog een tikje chagrijnig van worden. "Daar praat ik liever niet over. Het is dikwijls op zijn kant geweest. Nou ja... never mind."

Na de oorlog boekte ze geen opmerkelijke successen meer, maar ze bleef schaken en met aanstekelijk enthousiasme.

"Ze slaat nog regelmatig oorlogskreten achter haar schaakbord. 'Zal ik jou eens een pak slaag geven' of 'Ik ga je afslachten'," aldus het Algemeen Dagblad bij haar honderdste verjaardag. Bij die gelegenheid vroeg ze de vertegenwoordiger van De Limburger of hij de Cambridge Springs-variant kende. "Als u hier weggaat, kunt u schaken," voegde ze hem bemoedigend toe.

Tot voor kort schaakte ze nog iedere dinsdag bij de vereniging Shah Mata en iedere maandag bij een schaaksociëteit. Op haar flat stond een schaakcomputer. Als ze de slaap niet kon vatten, greep ze naar de literatuur. "Vaak mijn favoriete boek Mijn beste schaakpartijen 1924-1937 van Aljechin. Ik studeerde ook uit oude Russische tijdschriften. (...) Ach jongens, dat is heerlijk. Je ziet telkens weer nieuwe dingen." Recente publicaties volgde ze niet meer op de voet: "Die snotjongens van tegenwoordig weten er zoveel van."

"Ik ben altijd heel tevreden geweest," zei ze drie jaar geleden tegen De Limburger. "In mijn hele leven. En nu ook nog. Als ik een schaakzaal binnenkom, begint de hele zaal altijd te klappen. Dat maakt me heel gelukkig. Niemand hoeft te treuren als ik doodga. Men kan zeggen: ze heeft een heel gelukkig bestaan gehad."

Tot zover Het Parool.

De Volkskrant meldde op 1 maart 1999 in de rubriek Persoonlijk:

Oud-schaakkampioene Catharina Roodzant-Glimmerveen is dinsdag op 102-jarige leeftijd in haar woonplaats Rotterdam overleden. Mevrouw Roodzant was in 1936 de eerste schaakkampioene van Nederland. In 1937 en 1938 verdedigde zij haar titel met succes. Ze was de oudste clubschaker van het land en ook de eerste vrouw die op een club speelde. Tot op zeer hoge leeftijd was ze nog bijna elke week te vinden bij haar schaakclub Shah Mata in Rotterdam-Zuid of bij een schaaksociëteit.

In een vraaggesprek in 1996 ter gelegenheid van haar honderste verjaardag vertelde mevrouw Roodzant dat ze toen nog gewoonlijk twee keer per week op de club actief was. Ze schreef haar geestelijke vitaliteit toe aan het schaken. 'Als ik niet in slaap kon komen, pakte ik een schaakboek om openingen en partijstellingen door te nemen.'

Zowel Het Parool als De Volkskrant putten bij haar dood uit interviews die bij haar honderdste verjaardag waren verschenen. Dat is duidelijk als we bovenstaande teksten vergelijken met wat we in 1996 noteerden.
De Limburger schreef op 17.10.1996:

"Zij is de oudste schaakster. Mevrouw Roodzant schaakt nog elke maandagmiddag bij de sociëteit en op dinsdagavond bij de schaakvereniging en doet dat nog altijd zeer fanatiek. Eigenlijk heeft de aankomende eeuwlinge alleen maar lol in het schaken als ze haar partij wint.... 'Vroeger zeiden ze al vaak tegen me: je moet eens voor je plezier gaan spelen. Maar plezier zit voor mij in het proberen te winnen. Schaken is voor mij niet alleen plezier. Als ik speel, speel ik om de winst. Dat zit nou eenmaal in mijn karakter".

In dit interview vertelt ze verder dat ze 's nachts, als ze wakker wordt, gaat schaken, aan de hand van het boek 'Mijn beste schaakpartijen 1924 - 1937’ van Aljechin.

Ze vertelde de interviewer dat ze nog steeds zelfstandig woonde in een woongebouw bij station Lombardije. Ze was wat slecht ter been, maar verder mankeerde ze niets. "Elke vrijdag komt één van de kleinkinderen om de boodschappen te doen". En verderop in het interview: "Niemand hoeft te treuren als ik dood ga, maar men kan zeggen: ze heeft een heel gelukkig bestaan gehad".

Ook verscheidene bij de GPD aangesloten dagbladen (zoals De Gooi- en Eemlander) publiceerden een uitgebreid artikel ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag. In dit interview vertelt ze dat ze pas op haar 29e is gaan schaken. Tijdens het stofzuigen bedacht ze de oplossing van een schaakprobleem dat haar man op het bord had staan. "Hij wist toen dat hij zijn grote liefde voor de schaaksport met mij kon delen".

Terug naar het begin van deze pagina

Terug naar paragraaf XIII.42