De oudste voorouders van de Glimmerveens van wie iets bekend is, verdienden de
kost met de winning van turf waarmee de woningen in de grote steden van Zuid-Holland
(Den Haag, Delft, Leiden) verwarmd werden.
De leden van de familie - die zich in het midden van de zeventiende eeuw in officiële
stukken lieten aanduiden als 'Glimmerveen'; misschien werd de naam in
de dagelijkse omgang in het dorp al eerder gebruikt - woonden in niet
onaanzienlijke woningen in Zoetermeer en Stompwijk. Het land dat zij afgroeven
om van het veen turf te maken, hadden zij in eigendom. Al voor 1600 kochten zij
woningen en grond aan; soms ook verkochten zij hun huis om groter - of, als ze
bejaard werden, kleiner - te gaan wonen.
 |
|
Zoetermeer, Stompwijk - de regio waarin de plaatsen liggen waar in de 16e en
17e eeuw de voorouders woonden van de huidige Nederlanders met de achternaam
Glimmerveen.
Kaartje ontleend aan Trouw
van 31 augustus 2000 |
Aan- en verkoop van allerlei soorten grond (flotterlant, turfflant) komt
veelvuldig voor in de annalen van de familie Glimmerveen. Waarschijnlijk werd de grond afgestoten nadat deze afgegraven
was. Het eerste bewaard gebleven document waarin de achternaam Glimmerveen
voorkomt (uit 1657) legt de aankoop van grond en een woning (in Stompwijk)
vast.
Turfwinning was in de zestiende en zeventiende eeuw een normale bezigheid in
Holland. Anders dan in bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk was er in de lage
landen weinig bos en dus ook weinig hout om de woningen en de werkplaatsen in de wintermaanden te
verwarmen. Turf was dus de normale brandstof. Door turfwinning is de bodem in de
streek bij Zoetermeer en Stompwijk ongeveer anderhalve meter verlaagd. Omdat ook
onder de waterspiegel veen werd afgegraven, zijn in Holland verscheidene plassen
ontstaan die in de 21e eeuw dankbaar gebruikt worden voor de watersport
(zoals de Loosdrechtse en de Vinkeveense plassen, de Oosteinder plassen, de
Reeuwijkse plassen en vele andere).
De voorouders van de familie Glimmerveen waren kennelijk vooraanstaande
inwoners van Zoetermeer. Eén van hen werd al voor 1650 schepen van die plaats (een
lokale bestuurder, min of meer vergelijkbaar met een wethouder annex
notaris en kantonrechter in
onze tijd). Twee decennia later was er ook een 'grootheemraad' in de familie.
Eeuwenlang was de familie honkvast. In elk geval vanaf de eerste helft van de
zestiende eeuw tot omstreeks 1700 woonden en werkten zij in het landelijke
gebied bij Zoetermeer en Stompwijk. Het is waarschijnlijk dat ook al ver
voor 1500 de voorouders van de familie in deze regio woonden. Maar daar zijn
geen bewijzen voor.
Pas na 1700 vertrok een Glimmerveen (Crijn Cornelisse Glimmerveen, geboren
circa 1669)
richting Bleiswijk, kort nadat hij als weduwnaar voor de tweede keer getrouwd
was. Waarom hij Stompwijk verliet kunnen we slechts raden - we vermoeden dat
zijn tweede vrouw, de pas achttien jaar oude Annetje van der Wilk, afkomstig uit de omgeving van Bleiswijk, niet erg kon aarden
in Stompwijk
Weinige jaren later ging een andere Glimmerveen (Quirijnus Reijne
Glimmerveen, geboren in 1682) in Den Haag wonen. Hij vond daar een bruid,
Gertrudis Lombeeck. Waarmee hij in de grote stad zijn brood verdiende, blijkt niet uit de
gevonden documenten. Een zoon van de Haagse Glimmerveen, Reijnier, verhuisde
naar Delfshaven waar hij zich vestigde als zelfstandig timmerman. Delfshaven was toen
een aparte gemeente vlakbij Rotterdam. Opnieuw door een huwelijk kreeg de
Delfshavense tak van de Glimmerveens vertakkingen naar Dordrecht. Dat zou een
belangrijk bolwerk van de familie worden. In het jaar 2005 is Dordrecht nog
steeds de woonplaats van tientallen mensen met de achternaam Glimmerveen.
Een kort na 1700 in Zegwaard geboren Glimmerveen (Gerrit Glimmerveen) trok
al op jonge leeftijd naar Schiedam waar hij een eigen zaak had: als huisschilder
en glaszetter. Hij stierf op 72-jarige leeftijd in die stad. Hij en zijn vrouw
Jannetje Visser hebben elf kinderen gehad, maar het geluk van een kleinkind is
hen niet beschoren geweest. Er is dus geen Schiedamse tak van de Glimmerveens
(hoewel zich eeuwen later wel Glimmerveens vanuit Rotterdam in Schiedam hebben
gevestigd).
|
Drie takken
Voor zover de gegevens strekken bij de afsluiting van deze versie van dit document hebben er in de negentiende eeuw drie takken van
Glimmerveens bestaan in Nederland. Daarvan bestaan er nu (in 2005) in elk geval nog twee.
Er is een Rotterdamse tak (met, na het midden van de 19e eeuw, een afsplitsing naar Amsterdam) met als kenmerkende voornamen:
Ary, Hendrik, Leendert. Dan is er een tak Delfshaven/Dordrecht met als kenmerkende namen
Quirijnus, Willem en Reinier. Voorts is
er nog een tak Delfshaven met als kenmerkende voornaam Dirk. In het Rijksarchief van Zuid-Holland komen ook nog Glimmerveens
voor die vóór 1800 geleefd hebben en die als tweede voornaam hebben
'Claas' of 'Klaze' (zoon of dochter van Klaas).
|
Nadat zo ongeveer al het Zuid-Hollandse veen was afgegraven en de turfwinning dus moest worden gestaakt, zijn
in de regio Zoetermeer/Stompwijk geen Glimmerveens overgebleven. De Glimmerveen
die als eerste Stompwijk verliet en naar Bleiswijk vertrok, ging op een andere
manier met de bodem om: hij werd tuinder (warmoezenier). In die branche bleven
vervolgens ongeveer driehonderd jaar lang Glimmerveens actief. Ze bleven niet in
Bleiswijk, maar trokken al spoedig naar 'Zwaanshals', een tuindersgebied aan de
Rotte even ten noorden van Rotterdam.
Zwaanshals was een uitstekende plek voor een tuinder. De grond was vruchtbaar
en de producten konden snel per schip over de Rotte naar het hart van Rotterdam
vervoerd worden. Dat deden de Glimmerveens zelf: ze teelden niet alleen groente,
maar brachten ook de opbrengst van hun grond
in de grote stad aan de man.
Een deel van de familie Glimmerveen bleef actief in de tuinbouw, zij het niet
in Rotterdam. Kort voor 1900 breidde de havenstad zich snel uit. Er was grote
behoefte aan eenvoudige huisvesting voor arbeiders. Zoals in Amsterdam 'De Pijp'
werd volgebouwd met schamele hoogbouw, zo onteigende Rotterdam de tuinderijen
aan 't Zwaanshals voor de woningbouw. De tuinders trokken naar het Westland waar
een Glimmerveen nog tot enkele jaren voor 2000 een tuindersbedrijf exploiteerde.
Maar al eerder zochten ook sommige Glimmerveens uit 't Zwaanshals hun heil elders. In de 19e eeuw leverden de tuinderijen niet meer genoeg op voor allen. Jonge Glimmerveens gingen daarom ander werk zoeken in
Rotterdam. Ze vonden dat veelal op scheepswerven. Het beroep 'scheepstimmerman'
kwam veelvuldig voor in de familie. Door dat beroep kwam één tak in het midden
van de negentiende eeuw in Amsterdam terecht. De marinewerf werd namelijk
overgeplaatst van Rotterdam naar Amsterdam en de werknemers konden mee naar de
nieuwe vestigingsplaats. Zo kwam de Glimmerveen die in dienst was van de
marinewerf, in Amsterdam terecht. Een flink deel van die Amsterdamse tak bleef
levenslang in de hoofdstad en voelde zich ook in hart en nieren Amsterdammer. In
de tweede helft van de twintigste eeuw trokken vele leden van deze generatie weg
uit de hoofdstad. Een deel woont nu in Flevoland.
De Glimmerveens waren voor, tijdens en na de Gouden Eeuw kleine zelfstandigen. Vanaf de industriële revolutie
in het midden van de negentiende eeuw hoorden vele
Glimmerveens tot de arbeidersklasse. Maar er waren er ook die al in de
negentiende eeuw hogere functies wisten te bereiken. In de twintigste eeuw
lukte dat zelfs over bijna de hele linie. Het scala aan beroepen dat Glimmerveens in de tweede helft van
die eeuw uitgeoefend hebben
en in 2005 uitoefenen is zeer breed.
Terug naar het begin van dit hoofdstuk
Water en moeras leveren vuur

De turfwinning in Zuid-Holland in het begin van de zeventiende eeuw.
De gravure is uit het jaar 1621, gemaakt door I. Marcus en afgedrukt in het in dat jaar verschenen Deliciae Bataviae.
Het Latijnse onderschrift luidt (vertaald):
Komt van verre, natuurkenners, en aanschouwt de wonderen van het Hollandse land:
water en moeras leveren het zijn vuren.
De prent laat het hele productieproces van de turfwinning zien.
De man op de voorgrond baggert het veen uit een dobbe (poel).
Achter hem trapt een vrouw het slik plat en een derde steekt er turven van.
Op de achtergrond stapelen enkele mensen de turven op,
het zogenaamde kloten.
De rijen moeten een paar maal gekeerd worden om de turven goed te laten drogen.
Op de achtergrond links
ligt een zeilschip. Daarmee wordt de brandstof naar de grote steden getransporteerd.
De families Glimmerveen in Stompwijk hebben zich in de tijd waarin deze gravure gemaakt werd,
met het produceren en verschepen
van turf bezig gehouden.
Terug naar het begin van dit
hoofdstuk
Op andere pagina's vindt u achtergronden en toelichtingen bij: