De bakermat van de familie Glimmerveen:
Stompwijk, Zoetermeer, Bleiswijk en Zwaanshals
| Deze pagina - onderdeel van de genealogische website Glimmerveen door de eeuwen heen - hoort in een frame. Als u deze pagina zonder frame ziet en u wilt naar de opening van de site, klik dan hier. |
Stompwijk (startplaats van de Glimmerveens);
Bleiswijk (waar Glimmerveens na 1700 enige tijd hebben gewoond);
Zwaanshals, vroeger een tuindersgebied aan de noordkant van Rotterdam waar Glimmerveens eeuwenlang hebben gewerkt;
Op andere pagina's vindt u:
De gang van de Glimmerveens door de eeuwen heen (de geschiedenis van de familie Glimmerveen in grote lijnen);
Water en moeras leveren vuur (een prent die laat zien hoe de Glimmerveens in de zestiende en zeventiende eeuw hun brood verdienden).
De familienaam - oorsprong van de achternaam Glimmerveen;
Beroepen die in dit document veelvuldig voorkomen;
Het gedicht 'Stukje opvoeding' van Cees Buddingh, waarin de voetballer Glimmerveen voorkomt.
De oudste vermelding van de familienaam Glimmerveen, tot nu toe in de archieven gevonden, treffen we aan in de regio Zoetermeer/Stompwijk.
In de eerste duizend jaren van onze jaartelling lag hier, tussen Leiden en Utrecht, een uitgestrekt gebied van wilde vennen en wouden, moerassig en begroeid met riet en laag kreupelhout. Ten noorden van Zoetermeer lag een bos (vandaar het woord 'woud' in de plaatsnamen Zoeterwoude, Gelderswoude en Hazerswoude). Ten zuiden van Zoetermeer lag het terrein wat lager. De plaatsnamen Zegwaart (Zegwaard) en Moerkapelle geven dit aan. (Waart = laag gelegen land; moer = moeras; zegge is een moerasplant).
De graven van Holland gaven omstreeks 1100 de aanzet tot de ontginning van het onbewoonde veengebied. Uit die tijd dateert Zoetermeer, genoemd naar een meer waaraan het lag. De eerste bewoners vestigden zich tussen 1000 en 1063 aan de oevers van het meer.
In de 14e eeuw werd een begin gemaakt met de winning van turf door het afsteken van het veen tot het grondwaterpeil. Met de invoering van windwatermolens kon door bemaling het grondwaterpeil laag worden gehouden. De eerste windwatermolen van Zoetermeer is in 1456 opgericht; die in Zegwaard in 1460.
|
Een plattegrond uit 1615 waarop de Groeneweg in Zoetermeer is
aangegeven. |
In de tijd van onze oudste bekende voorvader, Hillebrant, is Zoetermeer direct betrokken geraakt bij de tachtigjarige oorlog. Op 31 oktober 1573 hadden de Spanjaarden het beleg om Leiden geslagen. Om deze stad uit zijn benarde situatie te redden werden op 3 augustus 1574 de dijken rondom Zoetermeer doorgestoken zodat het gebied onder water kwam te staan. Zo'n drieduizend Spanjaarden trokken zich terug op de Voorweg in Zoetermeer. Hierdoor kon de vloot van de watergeuzen uit Rotterdam de brug in de Voorweg niet passeren. Enkele burgers van Zegwaard wezen de geuzen een 'sluiproute' via Zegwaard en Zoeterwoude. Zo kwamen ze toch bij Leiden aan. Op 20 september 1574 verlieten de Spanjaarden Zoetermeer. Het zou nog vele jaren duren voordat de ondergelopen gebieden weer droog waren.
In 1613 werd begonnen met het droogmaken van het Zoetermeerse meer. De droogvallende gronden werden verdeeld tussen Zoetermeer en Stompwijk.
Het ochtendblad Trouw publiceerde een wandeltocht door oud-Zoetermeer. Lees de tekst hier.
Terug naar het begin van dit hoofdstuk.

Stompwijk nu (foto uit 1992)
Stompwijk is een dorp tussen Leiden en Den Haag, nabij Voorschoten. Tot 1938 was Stompwijk een zelfstandige gemeente. In dat jaar is de gemeente Stompwijk samengevoegd met de gemeente Veur. De nieuwe gemeente heet Leidschendam. Stompwijk is nog altijd een afzonderlijk dorp, bestaande uit een (doorgaande) verkeersweg langs een kanaal, met aan weerszijden woningen (de woningen aan de overzijde van het kanaal zijn te bereiken via bruggen, veelal ophaalbruggen). Daarnaast zijn er twee kleine woonwijken met moderne huizen.
Bij het vijftigjarige bestaan van de gemeente Leidschendam (in 1988) is een gedenkboek verschenen, getiteld Over, door en om de Leytsche Dam. Daaraan zijn de volgende gegevens ontleend.
Stompwijk ligt in een regio die de laatste duizenden jaren veelvuldig is veranderd door de invloed van de zee die dan weer eens een stuk land overspoelde en dan weer achter duinen en zandwallen werd teruggedrongen. Van belang was ook het (wisselende) stroomgebied van de Oude Rijn, dat mede het landschap bepaalde. In deze streek lagen de buurtschappen Stompwijk en Wilsveen in een veengebied met droogmakerijen; het naburige Veur werd gekenmerkt door zandruggen.
In het gebied achter de strandwallen, buiten de invloed van de zee, groeide het veengebied nog door tot in de Middeleeuwen. Vanaf ongeveer 1000 zijn grote gebieden door ontwatering (aanleg van sloten) geschikt gemaakt voor bebouwing. In de veertiende eeuw hebben boeren in de veendorpen - blijkens rekeningen waarin de opbrengst van belastingen werd vermeld - zowel akkerbouw als veeteelt bedreven.
De namen van de veendorpen Wilsveen (Willaemsvene) en Stompwijk zijn in de dertiende eeuw voor het eerst vermeld. Graaf Floris V verkocht in 1281 het gehucht Wilsveen; het andere dorp is in 1283 voor het eerst in een bewaard gebleven document genoemd in de verwijzing naar een zekere Mouwerin Dircsz van Stompic. In 1395 wordt het dorp aangeduid als Stompwic.
Omstreeks dezelfde tijd begon men hier turf te steken, vooral in het veengebied aan de kant van Stompwijk. De turf werd gebruikt voor de verwarming in de nabijgelegen steden (Den Haag, Leiden, Delft). Zo werd vruchtbaar akkerland tot onvruchtbare grond, alleen nog geschikt voor veeteelt. Omdat het verveende land de belastinginners minder geld in het laatje bracht, werden aan het steken van turf strenge beperkingen opgelegd.
Een gravure uit 1740 toont aan dat in ieder geval in die tijd op bescheiden wijze tuinbouw in deze omgeving voorkwam.
Uit een document van 1686 blijkt dat inwoners van Stompwijk die zich bezig hielden met turfsteken, niet altijd in staat waren de pachtpenningen te voldoen. Wie in die situatie kwam, moest volgens het oude dijkrecht vertrekken. Wie namelijk niet meebetaalde aan de gemeenschappelijke lasten van de polder, werd als onmaatschappelijk beschouwd.
De eerste gegevens over de bevolking van Stompwijk dateren uit 1623. In Stompwijk stonden toen 115 woningen met 613 bewoners. In 1674 werden alle belastingplichtigen opgesomd uit de regio. In Stompwijk waren dat er 76. Van hen waren 31 'zonder beroep' - vermoedelijk waren zij boeren. Verder werden de volgende beroepen geregistreerd: bouman (= boer) (4); veenboer (1); veenman (6); baggerman (8); turfman (3); arbeidsman (8); winkelier (3); bakker en cramer (1); wever (1); schoenmaker (1); timmerman (2); dekker (2); scheepmaker (2); bleekster (1); veerman (2). Al deze mensen moeten bekenden geweest zijn van onze voorvader Cornelis Ariensz. Glimmerveen die in die tijd in Stompwijk woonde. Zijn beroep was veenman, arbeijder.
De bewoners van Stompwijk waren in de 17e en 18e eeuw voor 75% rooms-katholiek.
Een publicatie over 'moord en doodslag in de 17e eeuw' van de Stichting Behoud Erfgoed Leidschendam maakt melding van een dodelijke steekpartij in 1673 voor de deur van de herberg De Schenkkan, gelegen tegenover de Kniplaan (dus vlak bij de plek waar toen de Glimmerveens woonden - sommigen van hen waren gevestigd 'omtrent de Knip'). Twee mannen, Ary Leenderts Bonenburch en Gerrit Jans Klaver, die even eerder nog samen een pijpje hadden gerookt, stonden plotseling met messen tegenover elkaar. Klaver zakte in elkaar: dood. Bonenburch hoorde als eis: onthoofding bij de Gravesteen in Leiden. Hij werd veroordeeld tot honderd jaar en één dag verbanning uit Stompwijk, met verbeurdverklaring van al zijn bezit.
Aan het eind van het jaar 1703 of begin 1704 is het gezin dat de voorouders zou worden van verreweg de meeste Glimmerveens van nu, weggetrokken uit Stompwijk. Het is een blauwe maandag neergestreken in het naburige Zoetermeer(Voetnoot) (daar is het eerste kind geboren); daarna heeft het gezin zich in Bleiswijk gevestigd. In het midden van de 18e eeuw (tussen 1732 en 1758) is een kleinkind uit Bleiswijk naar Rotterdam verhuisd.
In Stompwijk woonden in elk geval na 1704 nog mensen met de achternaam Glimmerveen. Vermoedelijk zijn ook in Bleiswijk delen van de familie Glimmerveen achtergebleven; maar daarover zijn geen gegevens beschikbaar.
In het Zuid-Hollandse veengebied is tot diep in de 19e eeuw turf gestoken. Toen de veenafgraving beëindigd werd, is het gebied grotendeels agrarisch geworden, met in de omgeving van Rotterdam tuinderijen waar groente, fruit en bloembollen werden gekweekt.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de Glimmerveens aanvankelijk veenarbeiders/turfstekers waren en nadien werk gevonden hebben als tuinder. Het is zeker dat al in de 18e eeuw Glimmerveens tuinder waren; tot het einde van de 20e eeuw hebben Glimmerveens dit beroep uitgeoefend in Schiebroek en Monster.
Terug naar het begin van dit hoofdstuk.
Bleiswijk, waar Crijn Cornelisse Glimmerveen en zijn vrouw zich tussen 1704 en 1706 hebben gevestigd, ligt aan de rivier de Rotte, ruim tien kilometer ten noorden van Rotterdam (en telt nu ongeveer 9.000 inwoners).
Het dorp moet al omstreeks 1100 hebben bestaan. Van 1582 tot 1798 was Bleiswijk eigendom van de stad Rotterdam, dat in het eerstgenoemde jaar de 'heerlijke rechten' kocht. In de achttiende eeuw was turfsteken de voornaamste bron van inkomsten voor de inwoners van Bleiswijk, dat aanvankelijk omringd was door uitgestrekte moerassen. Die ontvening werd zo intensief uitgevoerd dat halverwege de achttiende eeuw weinig meer van de polders was overgebleven dan een grote veenplas. Juist in die tijd trokken de Glimmerveens uit Bleiswijk weg. Het is niet zeker of tussen beide feiten een verband is; maar het is wel waarschijnlijk.
De hervormde kerk van Bleiswijk dateert uit de zestiende eeuw. De kerk is een aantal keren grondig gerestaureerd; de laatste keer tussen 1971 en 1974. Het interieur is nu weer vrijwel gelijk aan dat uit de zeventiende eeuw. In dit document is vermeld dat verscheidene Glimmerveens in de achttiende eeuw in Bleiswijk zijn gedoopt; maar volgens de archieven in de remonstrantse (niet de hervormde) kerk. De Glimmerveens uit die tijd hebben de nog steeds bestaande kerk dus wel gekend; maar de vermelde doopplechtigheden hebben niet plaats gehad in die historische kerk die nog dezelfde functie vervult als driehonderd jaar geleden.
Terug naar het begin van dit hoofdstuk.
Zwaanshals in vroegere eeuwen.
Uit Bleiswijk zijn Glimmerveens een kilometer of twaalf stroomafwaarts aan de Rotte neergestreken aan 't Zwaanshals, toen in het landelijke gebied aan de noordelijke rand van Rotterdam.
Op die plek (eerst bij, later in Rotterdam) zijn tot in de twintigste eeuw Glimmerveens gevestigd geweest (in elk geval tot 1939, blijkens het adresboek van Rotterdam van dat jaar). Daarin staat dat G. Glimmerveen, wagenmaker, gevestigd was op Zwaanshals 195.9). En in de 21e eeuw, om precies te zijn op 7 februari 2001, is opnieuw een Glimmerveen in 't Zwaanshals gaan wonen. Zie paragraaf XIV.27. Dit laatste verblijf aan 't Zwaanshals heeft overigens maar kort geduurd: na enkele maanden is Karin Glimmerveen weer vanaf dit adres vertrokken.
De eerste keer dat 'Zwaanshals' voorkomt in de annalen van de Glimmerveens, is in 1719. Toen woonde Anna Glimmerveen, dochter van Reijn Arentsz Glimmerveen, met haar man Jacob Pieters van der Werff 'in 't Swaenshals aan de Rotte buiten deze Stad' (aldus de vermelding in een testament dat het echtpaar op 21 september 1719, kort na hun huwelijk, liet maken). (Zie paragraaf V.2). Of het jonge gezin hier is blijven wonen en of het kinderen heeft gekregen, is niet bekend. Als er kinderen zijn geweest hebben die in elk geval niet de achternaam Glimmerveen gedragen.

Een pentekening van de rivier de Rotte en Zwaanshals, ongeveer 1700. Links op de voorgrond is Crooswijk waar een brouwerij van Heineken heeft gestaan. Rechts achter bij de molen waren de warmoezierslanden van de familie Glimmerveen en van vele anderen.
Een sterke band tussen 't Zwaanshals en de familie Glimmerveen ontstond in 1758, toen de 26-jarige Ary Glimmerveen trouwde met de 22-jarige Ingetje van Leeuwen. Dit meisje woonde vanaf haar geboorte aan 't Zwaanshals. (Hoofdstuk VIII, paragraaf 3). De bruidegom, die geboren was in Bleiswijk, woonde trouwens ook al in 't Zwaanshals. Het is niet bekend wanneer hij daarheen verhuisd is, maar vermoedelijk al jaren eerder. Hij heeft immers daar zijn bruid gevonden.
Het echtpaar Glimmerveen-van Leeuwen heeft zes kinderen gekregen die allen aan 't Zwaanshals geboren zijn. Slechts twee van die kinderen hebben zelf ook weer kinderen gekregen. Eén van de kinderen, Melt (die geboren en overleden is aan 't Zwaanshals) was volgens vastgelegde gegevens warmoezier (tuinder).
Vermoedelijk was Ary Glimmerveen dat ook. Maar dit gegeven is tot nu toe niet gevonden. Wel staat vast dat in latere jaren nakomelingen van Ary Glimmerveen aan 't Swaanshaels tuindersbedrijven exploiteerden. Die nakomelingen zijn de kinderen en het verdere nageslacht van een andere zoon, Gerrit (paragraaf IX.6).
Een dochter van Gerrit, Belia Glimmerveen (1784 - 1866), trouwde in 1808 met Gerrit Snelleman. De Glimmerveens en de Snellemans knoopten vaker banden aan: de families drukten zeker anderhalve eeuw lang hun stempel op 't Zwaanshals.
Dit is één van de oudste foto's van het 'Oude Noorden' van Rotterdam; een foto van omstreeks 1875. De foto toont de Blommerdijksche molen, die in 1722 gebouwd is. Dit was de zogenaamde seinmolen van het Schieland. Dit hield in dat andere molens aan de Rotte pas mochten gaan malen als de Blommerdijksche molen daartoe het teken had gegeven. Overdag gebeurde dit met de wieken; 's nachts met behulp van een brandende lantaarn.
In 1878 werd het werk overgenomen door een stoomgemaal. De molen werd gesloopt.
Het rechter huizenblok staat op de hoek van het Zwaanshals. Tussen de twee huizenblokken begint de Noordmolenstraat. Op de achtergrond is nog net de koepel van het huis van bewaring aan de Noordsingel te zien.
(Deze toelichting is ontleend aan het boekje 'Groeten uit het oude Noorden')
* * *
In de tijd toen Ary en Ingetje Glimmerveen-van Leeuwen er woonden, was 't Swaanshals nog geen stadswijk, maar een agrarisch gebied direct grenzend aan de bebouwde kom. De Glimmerveens hebben hier groente gekweekt die zij in de grote stad verkochten.
Zwaanshals tegen het eind van de negentiende eeuw, kort voordat de tuinderijen onteigend werden en hier gestapelde arbeiderswoningen gebouwd werden.
Nog een foto van 't Zwaanshals uit ongeveer 1875. De koeien lopen door de straat, ter hoogte van de Hooglandstraat. Voor de Glimmerveens die in die tijd hier vlakbij tuinderijen hebben gehad, moet dit een vertrouwd beeld zijn geweest.
Een tuinderij vlak tegen de stadsrand aan had het voordeel dat er weinig tijd nodig was voor transport; de tuinderijproducten konden zeer vers aan de klanten in de stad worden geleverd. Dat de tuinderij aan de Rotte lag, had een groot voordeel: het transport van de geoogste groente kon per boot over de rivier plaatsvinden.
Er zijn in de verschillende documenten allerlei aanduidingen voor de Zwaanshals te vinden. Aanvankelijk werd in adressen de
buurt aangeduid als Q. Heel Oost-Blommersdijk behoorde trouwens tot wijk Q.
Vanaf 1841 was er sprake van wijk 14. Er kwamen toen ook andere huisnummers. In de loop der eeuwen zijn de woningen aan 't Zwaanshals
wel dertig keer omgenummerd.
Op 4 september 1893 brak in een loods van de familie Glimmerveen aan het Zwaanshals (Gelderlozepad) een felle brand uit. Nieuwsgierigen gingen in de late avonduren kijken. Velen wilden met een pontje over de Rotte. Toen het pontje voor de zoveelste keer afgeladen vol overvoer, ging het gerucht aan boord dat iemand overboord zou zijn geslagen. Iedereen ging naar dezelfde kant om te kijken. Gevolg: de pont sloeg om en tien mensen verdronken. Het bericht, dat de volgende dag in het rooms-katholieke dagblad De Maasbode stond, is opgenomen in deze bijlage.
De naam 't Swaanshaels of 't Swaanshals is later veranderd in 'Zwaanshals'. Deze naam komt - als straatnaam - nog steeds voor in Rotterdam. De straat is zonder twijfel nog op dezelfde plaats als twee eeuwen geleden; op de plaats waar destijds de tuinderijen van de Glimmerveens waren, staan nu woningen.

Zwaanshals in Rotterdam (foto uit 1992)
![]() |
| Wie boodschappen doet in 't Zwaanshals te Rotterdam, heeft kans dat de gekochte spullen worden verpakt in een opvallende gele plastic tas met een gestileerde Z die doet denken aan een zwaan. |
In de eenentwintigste eeuw is Zwaanshals een typische volksbuurt in het 'Oude Noorden' van Rotterdam. Langs de straat staan arbeiderswoningen van vier verdiepingen zoals deze aan het einde van de negentiende eeuw in de grote Nederlandse steden werden gebouwd (vergelijkbaar met 'De Pijp' in Amsterdam). Voor de woningbouw is ruim een eeuw geleden de grond van de tuinders onteigend. In een deel van de (enkele kilometers lange) straat zijn nu op de begane grond winkeltjes en cafés gevestigd; daaronder Turkse bedrijfjes. De straat ligt in een stadsvernieuwingswijk; aan een deel van de straat staan nieuwe flats.
De naam van de weg is ontleend aan de (flauwe, maar ook scherpe) bochten erin, die de bochten in de rivier de Rotte volgden. Het Zwaanshals en omgeving vormt een van de oudste bewoonde plaatsen in deze regio. In de zestiende eeuw lag in dit gebied de herberg Het Swaenshals.
Bij de aanleg volgde de weg de loop van de rivier de Rotte die door de Glimmerveens (en de andere tuinders in de omgeving) gebruikt werd zowel voor de bevloeiing van de tuinderijen als voor het transport van de groente naar de stad. De straat Zwaanshals ligt nu voor een klein stuk direct aan de Rotte; voor een deel ligt Zwaanshals een stukje terug; daar ligt de Zwaanshalskade direct aan de rivier.
Een zijstraat van Zwaanshals heet Snellemanstraat; vlak daarbij ligt ook de Stolkstraat. Dit is opmerkelijk omdat, behalve de familie Glimmerveen, ook de families Snelleman en Stolk in het begin van de negentiende eeuw aan 't Zwaanshals tuindersbedrijven hadden. Hijndrik Glimmerveen is zowel met een dochter uit het geslacht Snelleman getrouwd geweest als met een dochter Stolk. Een Glimmerveenstraat in de wijk had dus ook voor de hand gelegen; maar die is er niet.
* * *
Het Gelderlozepad omstreeks 1950. Dit was het laatste stukje van deze weg die inmiddels geheel is verdwenen. Aan het stukje Gelderlozepad op deze foto, nabij het Zwaalshals, heeft een pakhuis van de familie Glimmerveen gestaan.
In de annalen van de Glimmerveens komt verscheidene keren het Gelderloozepad voor. Sommige Glimmerveens woonden aan het Gelderloozepad of op de hoek van het Gelderloozepad en 't Zwaanshals. Het Gelderloozepad was een dwarsstraat van 't Zwaanshals, op een steenworp van de rivier de Rotte. In de twintigste eeuw is het Gelderloozepad verdwenen.
Hieronder twee kaartjes van dit deel van Rotterdam waarop te zien is waar het Gelderloozepad liep.
Fragment uit een plattegrond uit 1895. De geel ingetekende straat die aan de westkant van de rivier de Rotte loopt (naar links boven) is 't Zwaanshals. De andere geel ingekleurde straat is het Gelderloozepad.
Fragment uit een plattegrond van 1925. Het Gelderloozepad is geheel verdwenen. Op de plaats van de vroegere tuinderijen is een woonbuurt verrezen. (Met een blauwe stippellijn van een ballpoint is ingetekend hoe het Gelderloozepad eerder heeft gelopen).
Terug naar het begin van dit hoofdstuk.