Achtergronden en toelichtingen
bij de genealogie van de familie Glimmerveen
| Deze pagina - onderdeel van de genealogische website Glimmerveen door de eeuwen heen - hoort in een frame. Als u deze pagina zonder frame ziet en u wilt naar de opening van de site, klik dan hier. |
Beroepen die in dit document veelvuldig voorkomen;
Het gedicht 'Stukje opvoeding' van Cees Buddingh, waarin de voetballer Glimmerveen voorkomt.
Op andere pagina's vindt u:
De familienaam Glimmerveen, ontstaan in de zeventiende eeuw.
De gang van de Glimmerveens door de eeuwen heen (de geschiedenis van de familie Glimmerveen in grote lijnen);
Water en moeras leveren vuur (een prent die laat zien hoe de Glimmerveens in de zestiende en zeventiende eeuw hun brood verdienden);
Stompwijk (bakermat van de Glimmerveens);
Bleiswijk (waar Glimmerveens na 1700 enige tijd hebben gewoond);
Zwaanshals, vroeger een tuindergebied aan de noordkant van Rotterdam waar Glimmerveens eeuwenlang als groentekwekers hebben gewerkt;
De meeste in dit document genoemde beroepen zijn zonder meer duidelijk. Een verklaring vraagt misschien het beroep 'warmoezier' (of: 'warmoezenier') dat vele Glimmerveens hebben uitgeoefend. 'Warmoes' is een oud-Nederlands woord voor 'groente' (vandaar ook het woord 'moestuin'). Een warmoez(en)ier is dus een groentekweker en/of groenteverkoper (het kwam in vorige eeuwen vaak voor dat tuinders groente kweekten en zelf in de grote stad gingen verkopen).
Nogal vaak komt in dit document bij een beroep de uitgang '-knecht' voor (bijvoorbeeld apothekersknecht, slepersknecht). In onze oren duidt het woord 'knecht' op een zeer ondergeschikte positie. In vroeger eeuwen werd het woord gebruikt voor wat wij nu een 'werknemer' (of 'medewerker') zouden noemen. Een tuinder was dus een zelfstandige ondernemer; een tuindersknecht was een werknemer in dienst van een tuinder. (Feit is natuurlijk dat een werknemer vroeger veel minder rechten had dan een werknemer nu; zo bezien duidt het woord 'knecht' de positie wel goed aan).
Soms is in akten vermeld dat een vrouw 'dienstbaar' was. Een 'dienstbare' was een (als regel bij de werkgever inwonende en dus 24 uur per etmaal in dienst zijnde) dienstbode, een dienstmeisje, een hulp in de huishouding. Enkele keren is van mensen in akten genoteerd dat zij 'dienstbaar geboren' zijn. De juiste betekenis daarvan konden we niet achterhalen. Vermoedelijk is bedoeld dat de betrokkene is geboren terwijl de moeder een 'dienstbare' was.
De meeste plaatsnamen, genoemd in akten uit vroegere eeuwen, zijn ook nu nog in gebruik. Sommige vroegere plaatsen zijn ingelijfd bij grote steden. Met betrekking tot in dit document genoemde dorpen was vooral Rotterdam de slokop. Zo is het veelvuldig genoemde dorp Cool verdwenen; de naam leeft nog voort in de straatnaam Coolsingel. Hillegersberg, nu een stadswijk, was voorheen een zelfstandige plaats (waar vele Glimmerveens hebben gewoond).
Vaak is er sprake van een 'ambacht'. Volgens Van Dale werden de waterschappen in Rijnland vroeger ambachten genoemd. Deze zijn in 1864 opgeheven. Een schoutambacht, vaak ook kortweg ambacht genoemd, was het rechtsgebied van een schout.
Een schout was hoofd van het gerecht en de politie in een stad of district, met name als openbare aanklager. Een schepen was een overheidspersoon, lid van het met bestuur en wetgeving, ten dele ook met rechtspraak belaste college, lid van de vroedschap. Schout en schepenen waren in zekere zin vergelijkbaar met burgemeester en wethouders in onze tijd; maar ze deden ook werk dat nu aan de notaris en aan de kantonrechter is toevertrouwd.
In een lezersbrief van J. Buisman te Den Haag, gepubliceerd in het ochtendblad Trouw van 29.05.1991, meldt de schrijver (terloops) dat het in het Nederland van vóór de 20e eeuw voorkwam dat kinderen binnen hetzelfde gezin dezelfde voornaam droegen. 'En dan bedoel ik niet eens dat een later geboren kind de naam kreeg van een overleden broertje of zusje. Dat was al heel gewoon, omdat zoveel kinderen jong stierven. Maar het gebeurde ook wel dat men een bepaalde naam, waaraan men sterk hechtte, aan twee kinderen gaf. Men had dan bij eventueel overlijden als het ware een reserve'.
In de genealogie van de Glimmerveens komt het regelmatig voor dat dezelfde voornaam aan een tweede, soms ook aan een derde kind in een gezin werd gegeven nadat de eerdere drager van de naam (jong) is overleden. Enkele keren zijn geen gegevens aangetroffen van het overlijden van het eerste kind met een bepaalde naam. Als er later een kind uit hetzelfde gezin met dezelfde voornaam werd gedoopt, hebben we aangenomen dat het eerste kind was overleden; maar dat hoeft dus niet per se.
Voor de generaties I, II, III, IV en V zijn de gegevens gevonden in de volgende bronnen:
- Oud Rechterlijk archief Zoetermeer (vele
tientallen vermeldingen);
- Kohier hoofdgeld over Rijnland 1622 (meerdere
vermeldingen);
- 10e penning Zoetermeer 1561;
- DTB Zoetermeer;
- Belasting op overdracht Zoetermeer;
- Register taxatie huizen 1597
Zoetermeer;
- Lijst van weerbare mannen Zoetermeer
1599;
- Kohieren van verponding 1628, 1633, ... Zoetermeer;
- Notariële akten Zoetermeer 1677 - 1684;
- Oud Rechterlijk archief Zegwaart;
- Plaatselijk bestuur Zegwaart 1681;
- DTB Nootdorp;
- DTB Stompwijk;
- Oud Rechterlijk archief Stompwijk;
- Oud archief Stompwijk (Slagturven).
In dit document
worden op vele plaatsen bedragen genoemd. Tot 31.12.2001 luidden die in guldens, soms in
Karolusguldens.
Toen Nederland (samen met elf andere Europese landen) op 01.01.2002 overging op euro's, was de waarde van de gulden € 0,45. Maar
in vroegere jaren was de gulden veel en veel meer waard. De inflatie ging soms hard. In 1976 was de gulden evenveel waard als de euro
in 2002 (wat betekent dat in een kwart eeuw de prijzen in guldens gemiddeld 2,2 keer zo hoog zijn geworden).
De gulden is bijna zeven eeuwen lang een geaccepteerde munt geweest in Nederland. In 1252 werd de eerste
gulden floryn in de
Italiaanse stad Florence geslagen. Deze munt werd al spoedig in grote delen van Europa, ook in de lage landen geaccepteerd.
Een eeuw later hadden de lage landen
de eerste in eigen land geslagen goudguldens.
Tijdens het bewind van Karel V in de zestiende eeuw begon de uitgifte van de Karolusgulden, vanaf 1521 in goud, vanaf 1543 in
zilver. De Karolusgulden had een waarde van twintig stuivers. De eerste voorouders van de Glimmerveens die op deze website genoemd worden, hebben dus met de zilveren Karolusgulden betaald.
De munt wordt genoemd in de generaties II, III, IV, V en VIII.
De gulden vertegenwoordigde in de zestiende en zeventiende eeuw een flink bedrag. De gebruikelijke beloning voor een dag werken was één gulden. Anders gezegd: 25 gulden
was een behoorlijk maandloon. Begrijpelijk dat voor dagelijkse uitgaven vooral de stuiver en munten met een nog geringere waarde
(zoals de duit) werden gebruikt.
door Cees Buddingh' (Voetnoot)
opgedragen aan Nico Scheepmaker
voor de oorlog zag ik zo nu en dan
ODS spelen, er deed een oude
linksbuiten in mee, glimmerveen,
wiens knie de hebbelijkheid had
af en toe uit de kom te schieten
(soms wel een paar keer per wedstrijd)
dan lag hij een ogenblik langs de lijn,
pakte zijn been beet, drukte de knie
terug in de kom en dribbelde vrolijk
verder, alsof er niets gebeurd was.nu, een kwart eeuw later,
zeg ik soms, als het tegenzit,
of ik eens in een sombere bui ben:
"vooruit, kees, even de knie in de kom"
en dan gaat het weer.De (Willem) Glimmerveen die in dit gedicht genoemd wordt, staat vermeld in paragraaf XII.9.